Raar maar waar: Amsterdamse woningmarkt komt in evenwicht

Na 10 jaar sluit de verdeling van dure en goedkope Amsterdamse woningen goed aan bij de verdiende inkomens in de stad. Dat blijkt uit het recente onderzoek Wonen in Amsterdam. En ja, de toename van de particuliere huursector heeft hier positief aan bijgedragen.

De Amsterdamse woningmarkt staat in veel (social) media symbool voor alles wat misgaat. Peperdure koop – en huurwoningen, toenemende segregatie, beperkt aanbod en lange wachtlijsten voor sociale huur, zo kan de hoofdstad in vogelvlucht wel worden getypeerd. De uitkomsten van het nieuwste, tweejaarlijkse onderzoek Wonen in Amsterdam (WiA), lijken het negatieve beeld opnieuw te bevestigen.

Vooral het feit dat de particuliere huurmarkt (30,5% van de 449.982 woningen in de stad) qua omvang voor het eerst die van de koopmarkt (28,8%) overstijgt, leidt tot tal van voorspelbare reacties waaronder die van wethouder Wedemeijer van Wonen en Bouwen. Zonder naar de eigen rol te kijken beschuldigt hij het Rijk die door ‘landelijk beleid en enorme huurverhogingen de bestaande betaalbare woningen in rap tempo naar het dure huursegment laat wegstromen’. Ongetwijfeld met de komende gemeenteraadsverkiezingen op 16 maart voor ogen pleit Wedemeijer voor ‘landelijke huurprijsregulering’ om een eind te maken aan de ‘prijsstijgingen in de bestaande woningvoorraad.

En toch wie de moeite neemt om het slechts 12 pagina’s tellende onderzoek van de gemeente Amsterdam over 2021 goed door te vlooien, die komt met minder alarmerende conclusies en zelfs tot hoopgevende uitkomsten. Zeker als het oudere onderzoek uit 2011 erbij wordt gepakt. Wat ik zie is dat het woningbestand sinds 2011 veel meer toegegroeid is naar het (toegenomen) bestedingspatroon van de inwoners.

Was in 2011 ruim 65% van de Amsterdamse woningen (koop en huur) nog bereikbaar voor circa 51% van de huishoudens die niet meer verdienen dan de toenmalige huurtoeslaggrens van ruim €33.000 bruto per jaar, in 2021 is die 65% van de bereikbare woningen geslonken tot 48,5% van het totaal en dat terwijl de lage inkomensgroepen (maximaal €40.000 bruto per jaar) 48,8% van de stad bevolken. Je zou kunnen zeggen dat de verdeling van woningen over de inkomensgroepen minder scheef is geworden.

Dat is ook te zien wanneer we kijken naar de duurste woningen voor de zogenoemde prosecco nippende Tesla-rijders in de stad. In 2011 bevolkte de hoogste inkomensgroep (minstens twee keer modaal) 29% van de stad maar behoorde slechts 18% van de woningen tot het duurste segment.

Een decennium later hebben de beter verdienende inwoners een stuk meer keus: het dure woningbestand is meer dan verdubbeld: van 18% naar 39% van het totaal terwijl 34,5% van de inwoners tot de hoogste inkomens behoren. Dat zijn nog maar percentages. In de tussentijd stegen zowel het aantal inwoners (779.808 in 2011 tot 873.338 in 2021) als de woningvoorraad (van 406.676 in 2011 naar 449.982 in 2021). Het is allemaal te lezen op p.6 van het WiA-onderzoek 2021.

Natuurlijk, er is nog veel te doen in en om de stad. Zo moet er flink doorgebouwd worden in alle segmenten (het meest in het middensegment huur om de onderwijzers, agenten en verzorgend personeel in de stad te houden). Maar grosso modo is de stad goed op weg met de aantallen ‘juiste’ woningen voor de verschillende inkomensgroepen.

Gepubliceerd door Rogier Hentenaar

Bedrijfseconoom, journalist, opiniemaker, huisman, vastgoedbelegger en investeerder in start ups.

Plaats een reactie