Vroeger zag je ze vaker. In ‘de kost gaan’. Kostgangers die een kamer betrokken in bewoonde huizen. Vaak waren zij middelbare mannen met een los-vast bestaan of nog ongebonden vrouwen voor wie de middelen ontbraken om iets zelfstandigs te betrekken. Ik hoorde het vroeger van mijn grootouders van moederskant, geboren in het eerste decennium van de 20e eeuw. Zij namen met regelmaat mensen in huis, na de oorlog zelfs compleet verweesde gezinnen. En dat terwijl ze zelf zes eigen kinderen hadden. Die moesten maar een beetje inschikken. Andermans nood was toen erger.
Cijfers heb ik niet paraat, maar heb sterk het idee dat in de jaren vijftig tot pakweg halverwege de jaren zeventig Nederland veel meer kostgangers telde. Je hoort er nu vrijwel niets meer over. Af en toe lees je nog wel eens over thuiswonende jonge volwassenen die kostgeld aan hun ouders betalen. Maar die beschouw ik niet als traditionele kostgangers.
Het is jammer dat het nemen van kostgangers in huis zo in onbruik is geraakt (als dit niet zo is, dan hoor ik dat graag). Een kostganger in huis nemen heeft niet te onderschatten voordelen.
Allereerst het financiële voordeel. De ontvangen huur is een welkome aanvulling. Bij de fiscus zijn kostgangers nooit uit beeld verdwenen. Verhuur aan kostgangers is jaarlijks tot €5668 belastingvrij te genieten. Dit bedrag is netto na eerdere aftrek van bijvoorbeeld kosten voor het eventueel bereiden van maaltijden, schoonmaak, energiekosten en het gebruik van meubilair. Dat is lang niet gek. En het maakt de belastingdienst ook niets uit of u in een eigen koopwoning heeft of de woning huurt.
Feitelijk een soort van Airb&b met de oorspronkelijke bewoners nog in huis, maar dan zonder de vele knellende regels die gemeentebesturen aan dergelijke huurplatforms hebben opgelegd.
Dan hebben we het voordeel van veiligheid in die zin dat uw huis nooit geheel onbewoond is en dus niet interessant is voor dieven en ander gespuis. Tenzij de kostganger niet te vertrouwen is, daarover zo meer.
Met het in huis nemen van kostgangers helpt u mensen aan (tijdelijke) woonruimte. Zij leggen (vooralsnog) geen beslag op de schaarse huur- en koophuizen. Een heel huis kan beter worden bestemd aan huishoudens met drie of meer gezinsleden. Daarmee doorbreken we de trend waarin steeds minder mensen een heel huis bezetten. En dragen we zo een klein beetje bij aan een alternatieve oplossing voor het huizentekort.
Een kostganger in huis kan zeer interessant zijn voor oudere echtparen of alleenstaanden die in een groot huis wonen waar hun kinderen allang zijn uitgevlogen en graag in hun vertrouwde buurt willen blijven. Je kunt hierbij afspreken dat kostgangers een oogje in het zeil houden en bij kunnen springen wanneer een oudere is gevallen of anderszins hulp nodig heeft.
Zeker in deze tijd waarin ouderen geacht worden veel langer zelfstandig te blijven wonen, kunnen kostgangers een extra gevoel van veiligheid bieden. Uiteraard mits de kostgangers dit ook aankunnen en willen. Een win-win situatie.
Dat dit niet gebeurt, heeft vooral te maken dat men gesteld is op privacy. Het idee van ‘geen vreemde mensen in huis’ is hardnekkig. Vooral ouderen die een groot, vrijwel afgelost huis bezitten, hebben die extra euro’s van een kostganger niet nodig. Hun privacy is hen meer waard. En als er hulp nodig is dan schakelen we thuiszorg in, is de gedachte.
Toch zou dit beeld moeten kantelen. Huizen met een kleine verbouwing geschikt maken voor verhuur aan kostgangers hoeft niet de wereld te kosten en is snel uit te voeren. Wellicht dat het nieuwe kabinet deze vorm van ‘noaberschap’ kan stimuleren met gunstige fiscale faciliteiten.
En wedden dat deze regeling zichzelf terugbetaalt? Denk aan lagere zorgbelasting en minder aanspraak op huurtoeslag door kostgangers die geen heel huurhuis hoeven af te huren. En het past goed in het streven van een zorgzame maatschappij.